01 mei 2018

Hans de Jonge: “Bouwprojecten moeten wedstrijden worden zonder scheidsrechter”

Onlangs verzorgde onze directievoorzitter Hans de Jonge een keynote op de jaarbijeenkomst van de Raad van Arbitrage voor de Bouw. Aan de hand van voorbeelden uit onze eigen praktijk wierp hij de vraag op of de Raad zichzelf op den duur niet overbodig zou moeten maken. Moet de Raad zich richten op het spreken van recht, of op het in dienst stellen van zijn kennis voor de sector, zodat op den duur geen ‘scheidsrechter’ meer nodig is?

De Raad van Arbitrage voor de Bouw is een onafhankelijke stichting. Doel is recht te spreken in geschillen die verband houden met de bouw. De Raad is een alternatief voor de rechter. De Raad heeft geen winstoogmerk, maar moet wel zijn eigen broek ophouden. Als er meer geschillen zijn waar partijen onderling niet uitkomen en besluiten naar de Raad te stappen, gaat het dus beter met de Raad. Maar zou de Raad er niet naar moeten streven zichzelf op den duur overbodig te maken door zijn kennis en ervaring in te zetten om organisatiemodellen en contracten te smeden die niet tot geschillen leiden?

Complex project zónder geschillen

De afgelopen jaren hebben wij ervaring opgedaan met allianties. Dit is mede de aanleiding voor Hans om voorgaande vraag centraal te stellen in zijn keynote. De ervaringen tonen aan dat het goed mogelijk is om zeer complexe projecten te realiseren, zonder geschillen tussen opdrachtgever en opdrachtnemers of tussen opdrachtnemers onderling.

Groot gemeenschappelijk belang

Het eerste voorbeeld dat Hans liet zien was het Internationaal Strafhof in Den Haag. Dit was in alle opzichten een uitermate complex project: qua techniek, opdrachtgeverstructuur, betrokken partijen, vertrouwelijkheid van informatie etc. Het had alles in zich om verkeerd af te lopen, maar het tegengestelde gebeurde. Het project verliep bijzonder soepel en alle betrokkenen kijken er met veel genoegen op terug.

De samenwerking bij het Internationaal Strafhof vond plaats in een alliantie. ’Kern van deze alliantie was om met een targetprijs een groot gemeenschappelijk belang te creëren voor opdrachtgever en opdrachtnemer. Zij maken samen afspraken over deze targetprijs en proberen gezamenlijk het project voor minder dan deze targetprijs te realiseren. Gaat het goed, dan deel je de besparing. Lukt het niet, dan deel je de extra kosten die dit met zich meebrengt. En met een systeem van ‘early warnings’ probeer je problemen al te hebben opgelost voordat ze zijn ontstaan’.

Intensieve samenwerking

Bij ziekenhuis Rijnstate doen we het net zo, al zijn de voorwaarden hier iets anders: bij het Internationaal Strafhof werkten we met het Britse contractmodel NEC3, bij Rijnstate met een zelf gebouwde samenwerkingsovereenkomst. Wat zien we hier gebeuren? Dat een zeer intensieve samenwerking is ontstaan, waarbij scherpte én vertrouwen voorop staan om het beste resultaat voor het project te bereiken. Bij Rijnstate is er zelfs geen vaste werkverdeling tussen opdrachtgever en opdrachtnemer. De verdeling van werk vindt gedurende het project plaats en kan op elk moment worden aangepast. Wat is het beste voor het project, en welke verdeling brengt de minste risico’s met zich mee en verzilvert de meeste kansen?

Het heeft in zo’n samenwerking bovendien geen zin om elkaar problemen in de schoenen te schuiven, want het doet er niet toe wie ze heeft veroorzaakt. Als er iets fout gaat, draai je samen voor de gevolgen op. Je wilt de negatieve gevolgen beperken en het dus vooral samen zo snel mogelijk oplossen.

Food for thought?

Allianties zijn er in Nederland nog niet veel, de GWW-sector uitgezonderd. Wat in zo’n alliantie besloten zit, is dat noch opdrachtgever noch opdrachtnemer baat hebben bij geschillen. Dat wil overigens niet zeggen dat je ze niet kúnt krijgen. Maar door de belangen van opdrachtgever en opdrachtnemer gelijk te trekken, creëer je de omstandigheid dat de gang naar de rechter of de Raad onlogisch is.

Kortom: een samenwerkingsvorm die erop gericht is geschillen te voorkomen. Zouden we deze vorm niet veel meer moeten toepassen? En zou de Raad daarbij zijn kennis kunnen inzetten om betere organisatiemodellen en contracten te maken in plaats van oplossingen te bieden als geschillen zijn ontstaan?